Words of the day (colours)

Colours-1

rood: red, e.g. De appel is rood. (The apple is red.)

oranje: orange, e.g. De jongen draagt een organje hoed. (The boy wears an orange hat.)

geel: yellow, e.g. De onderzeeër is geel. (The submarine is yellow.)

groen: green, e.g. In het voorjaar de bladeren zijn groen. (In spring the leaves are green)

blauw: blue, e.g. De Caribische zee is prachtig blauw. (The Caribbean sea is beautifully blue)

purper: purple, e.g. De bloemen zijn purper (The flowers are purple)c